Samenwerking sleutel voor effectief onderzoek Wageningse Wetenschapswinkel

 

Intensieve samenwerking tussen onderzoekers, maatschappelijke partijen en stakeholders is de sleutel voor een effectieve doorwerking van onderzoek uitgevoerd door de Wetenschapswinkel van Wageningen UR (University & Research centre). Het onderzoek kan maatschappelijke partijen een stem geven in beleid en besluitvorming, maar leidt vaak ook tot innovaties in de praktijk of tot nieuwe coalities. Ook kan nieuwe wetenschappelijke kennis ontstaan. Dit blijkt uit een studie naar de werkwijze van de jubilerende Wageningse Wetenschapswinkel.

 

De werkwijze van de Wetenschapswinkel is gericht op het bevorderen van de maatschappelijke en wetenschappelijke doorwerking van het onderzoek. In een studie is nagegaan wat de succesbepalende factoren zijn in die werkwijze. Daarvoor zijn trends in het onderzoek over de afgelopen 25 jaar geanalyseerd en zijn elf onderzoeksprojecten gedetailleerd onderzocht, ondermeer aan de hand van interviews met maatschappelijke partijen en destijds betrokken onderzoekers. Met de resultaten van deze studie wil de Wetenschapswinkel zich verder oriënteren op de toekomst.

 

Succesbepalende factoren

Uit de studie komen vier belangrijke factoren voor een succesvolle doorwerking naar voren. (1) In onderzoek van de Wetenschapswinkel werken de diverse partijen meestal intensief samen. Voor een maximaal resultaat zou je dit kunnen aanvullen met bijvoorbeeld een peer review en - waar van toepassing - een gezamenlijke ‘schouw' in het veld met onderzoekers, maatschappelijke partijen en bestuurders. (2) Er moet voldoende tijd en ruimte ingebouwd zijn voor de interactie tussen de onderzoeker en maatschappelijke partijen. Daarbij is het belangrijk om de maatschappelijke en wetenschappelijke doorwerking van het onderzoek goed te documenteren, zodat het aantrekkelijk is voor onderzoekers om te participeren in onderzoek van de Wetenschapswinkel. (3) Het is belangrijk dat studenten bij het onderzoek betrokken zijn en hun direct contact met maatschappelijke organisaties daarbij te faciliteren. Dit stimuleert bovendien de openheid en onbevangenheid in het studentonderzoek. (4) Ten slotte is de zichtbaarheid en bereikbaarheid van de Wetenschapswinkel voor alle groepen uit de samenleving een belangrijke succesbepalende factor, evenals het actief benaderen van politieke en maatschappelijke groeperingen.

 

Maatschappelijke dienstverlening is naast onderwijs en onderzoek een belangrijke taak van Wageningen UR. Maar vooral kleinere maatschappelijke organisaties beschikken vaak niet over de middelen om onderzoeksvragen uit te zetten. Voor deze groep is er de Wetenschapswinkel. In 2010 bestaat de Wageningse Wetenschapswinkel 25 jaar. In die 25 jaar zijn ruim 260 onderzoeken uitgevoerd. Het jubileum wordt op 17 juni gevierd met een symposium, meer informatie daarover op de website.

 

Wetenschapswinkelrapport 264: ‘25 jaar onderzoek van de Wageningse Wetenschapswinkel - Succesbepalende factoren voor nu en de toekomst' is gratis te downloaden vanaf http://www.wetenschapswinkel.wur.nl/.

 

 

Noot voor de redactie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Frans Padt, Alterra, onderdeel van Wageningen UR,
telefoon: 0317 482162 of 06 44796568, e-mail: Frans.Padt@wur.nl

 

Klik hier om het onderzoekverslag rechtstreeks te downloaden.

 

____________________________________________________________

vechtdal

 

Onderzoeksproject De N340 genomineerd voor Wetenschapswinkelprijs 2010

 

 

Voor de tweejaarlijkse Interlandse Wetenschapswinkelprijs 2010 heeft de jury drie onderzoeksprojecten genomineerd waaronder het Wageningse project over de N340 tussen Zwolle en Ommen. De Interlandse Wetenschapswinkelprijs is bedoeld voor het beste onderzoek dat wetenschapswinkels voor maatschappelijke organisaties hebben uitgevoerd. De winnaar wordt bekend gemaakt tijdens het 25-jarig jubileum van de Wageningse Wetenschapswinkel op 17 juni.


De N340 - noodzakelijk goed door de tuin van Nederland
De relatie tussen infrastructuur en gebiedsontwikkeling gerelateerd aan het karakter van het Vechtdal.
In deze studie door Andries Middag en Matthijs Timmermans van Wageningen University, in opdracht van de Stichting Duurzaam door het Vechtdal, draait het om de vraag hoe de lokale en regionale mobiliteitsbehoefte ingepast kan worden in het Vechtdal met behoud van haar huidige karakter. Ze komen tot de conclusie dat de N340 tussen Zwolle en Ommen, na aanpak van de bestaande knelpunten, het verkeer in ieder geval tot 2030 goed aan kan met twee rijstroken. Daarmee vervalt volgens Andries en Matthijs de noodzaak voor een compleet nieuw tracé met vier rijstroken, zoals de provincie dat voor ogen heeft.

Uit de 19 inzendingen van acht universiteiten nomineerde de jury ook projecten van Universiteit Antwerpen: Leidt voorlezen tot een betere leesattitude? Een quasi-experimenteel onderzoek in het zesde leerjaar van het basisonderwijs, en van Rijksuniversiteit Groningen: A safer route to MDI. An assessment of a phosgene free manufacturing process.
De onderzoeken worden beoordeeld op maatschappelijke vernieuwing en relevantie, klanttevredenheid, wetenschappelijke kwaliteit en de bereikte leerdoelen voor de betrokken student.

 

Klik hier voor het persbericht

 

 

Meer over dit onderwerp

Genomineerd onderzoeksproject 'Duurzame verkeersontwikkeling Vechtdal'

 

 

Contact

Meer informatie over de Interlandse Wetenschapswinkeldag 2010 en het genomineerde Wageningse project

 

Gerard Straver   gerard.straver@wur.nl     T 0317 48 39 08

 

 

_________________________________________________________

 WUR

 

Student wil duurzame onderwijsinstelling

 

HBO-studenten zijn geïnteresseerd in het thema duurzame ontwikkeling, maar merken daar weinig van bij hun onderwijsinstelling. Dat blijkt uit een survey naar duurzame ontwikkeling binnen universiteiten en hogescholen dat is uitgevoerd door de Wetenschapswinkel van Wageningen UR (University en Research centre) in opdracht van Morgen, het studentennetwerk dat zich inzet voor een duurzame toekomst. Het ontwikkelde Sustainable Development Framework is een nuttige hulpmiddel om dit te veranderen.

 

Het onderzoeksproject geeft aan welke strategieën studentennetwerken kunnen hanteren om duurzame ontwikkeling binnen hogescholen en universiteiten te stimuleren en te versnellen. Duurzame ontwikkeling heeft een positief imago bij studenten. Binnen de hogeschool wordt echter weinig zichtbaar gecommuniceerd over de integratie van duurzame ontwikkeling in het onderwijs. Zo weet 68 procent van de studenten niet of hun hogeschool een website heeft die duurzame ontwikkeling promoot. Studenten spelen ook nauwelijks een rol als het gaat om het initiëren van duurzame ontwikkeling. Docenten en onderzoekers denken dat het imago van duurzame ontwikkeling onder studenten negatief is. Voor hen is dat een reden om het etiket duurzaamheid niet te gebruiken. Binnen de facilitaire dienst wordt duurzame ontwikkeling vooral gezien als een manier om interne processen te optimaliseren.

 

Op basis van de survey is een Sustainable Development Framework ontwikkeld. Met dit interactieve meetinstrument kunnen hoger onderwijsinstellingen zelf hun ambitieniveau vaststellen. Het idee van dit Sustainable Development Framework is dat onderlinge kennisuitwisseling kan plaatsvinden tussen de belangrijkste stakeholders, te weten docenten, studenten, facilitaire medewerkers en onderzoekers. Hierbij staat de link tussen duurzaam innoveren en de lerende organisatie centraal.

 

Wetenschapswinkelrapport 265, ‘The Adventure of Greening the University; Rol van het studentennetwerk Morgen bij kennisuitwisseling voor duurzame ontwikkeling binnen het hoger onderwijs', is gratis te downloaden vanaf http://www.wetenschapswinkel.wur.nl/.

 

http://www.wetenschapswinkel.wur.nl/NL/projecten/projecten2010/morgen/

 

Noot voor de redactie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Astrid Hendriksen, Leerstoelgroep Milieubeleid van Wageningen University, telefoon: 0317 484274, e-mail: astrid.hendriksen@wur.nl

 

Klik hier om Wetenschapswinkelrapport 265 rechtstreeks te downloaden.

 

_______________________________________________________

 

Eilandspolder

 

Beheer Eilandspolder-Oost onvoldoende voor Natura2000

 

In de Eilandpolder-Oost zorgen stikstofdepositie, de waterkwaliteit en -kwantiteit en het (landbouwkundige) beheer ervoor dat de natuurdoelen voor dit Natura2000-gebied op dit moment niet gehaald worden. Dit blijkt uit onderzoek door de Wetenschapswinkel van Wageningen UR in opdracht van de Stichting Open Polders. De onderzoekers geven verder aan dat een Natura2000-beheerplan voor de Eilandspolder-Oost alleen succesvol kan zijn als alle belanghebbenden actief worden betrokken bij het op te stellen beheerplan.

 

De hoofdvraag van het onderzoek voor de Wetenschapswinkel is het ontsluiten van ecologische kennis en ervaring over de te beschermen soorten en habitattypen (de Natura2000-doelen) en de eisen die zij stellen aan inrichting en beheer van het gebied. Daarvoor zijn eerst de natuurdoelen ecologisch beschreven. Op basis van ecologische beschrijvingen van soorten en habitattypen benoemen de onderzoekers een groot aantal aan concrete inrichtings- en beheermaatregelen voor het toekomstig beheer van de Eilandspolder-Oost, gelegen tussen de Beemster en de Schermer in Noord-Holland. Het rapport onderscheidt gebundelde maatregelen rond water, stikstof, inrichting, graslandbeheer en kennis.

 

Voor een aantal vogelsoorten in het gebied wordt door boom- en struikopslag en het verruigen van riet- en graslanden de instandhoudingsdoelstelling niet gehaald. Van de grutto is bijvoorbeeld het aantal pleisterende en daarmee ook het aantal broedparen sterk afgenomen. Er is een wisselwerking tussen de kwaliteit van de broedgebieden en de verzamel- en slaapplaatsen. Voor en na het broedseizoen moeten die plaatsen namelijk permanent plasdras zijn of ondiep water bevatten.

 

Voor het nog marginaal aanwezige veenmosrietland is de stikstofdepositie (vermesting) te hoog. Daardoor verdwijnen kenmerkende soorten en kan dit habitattype zich niet handhaven. Minder bemesting binnen en buiten het gebied, en minder en schoner verkeer kan dit probleem deels oplossen. Ook het huidige maaibeheer wordt niet goed uitgevoerd. Maaisel wordt namelijk niet afgevoerd, waardoor de aanwezige stikstof dus in het lokale ecosysteem blijft.

 

Veenmosrietland houdt van natte voeten, ‘s winters natter dan ‘s zomers. Voor het agrarisch gebruik is het nu juist andersom. Daarnaast zou de waterstand omhoog moeten en zou de onderbemaling moeten stoppen. Er kunnen dan weer overgangen ontstaan van water naar land waardoor zowel planten als dieren meer kansen krijgen. Voor veel planten en dieren onder en boven water is het bovendien belangrijk dat het water schoner wordt, met minder meststoffen. De onderzoekers constateren ook kennishiaten over de verblijfplaatsen van de vissoorten en de prioritaire Noordse woelmuis. Waar bevinden zich de hotspots? Met die kennis kunnen beheerders een gefaseerd baggerplan opstellen dat rekening houdt met deze soorten.

 

Natura2000

In het kader van Natura2000 heeft Nederland zich verplicht om gebieden aan te wijzen voor soorten en habitattypen die Europees bedreigd zijn. Eilandspolder-Oost, een van de 162 Natura2000-gebieden in Nederland is aangewezen voor twee habitattypen, acht soorten vogels, twee soorten vissen en een zoogdiersoort (Noordse woelmuis). Een beheerplan wordt voorzien in 2010. De verantwoordelijke overheid voor Natura2000 (Ministerie van LNV) en die voor het beheerplan (de Provincie Noord-Holland) willen graag een zo groot mogelijk draagvlak voor het beheerplan verwerven.

 

Om een constructieve bijdrage te leveren aan de discussies rond het beheerplan heeft de Stichting Open Polders aan de Wetenschapswinkel van Wageningen UR gevraagd een rapport op te stellen waarmee ook niet-ecologisch deskundigen het op te stellen beheerplan kunnen beoordelen. Het rapport dient daarmee een bijdrage te leveren aan de discussie rond de inrichting en het beheer van het gebied gelet op de soorten en habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen. Het rapport is dus geen alternatief beheerplan en geen evaluatie van het concept beheerplan.

De rapportage is uitgevoerd door medewerkers van Alterra, onderdeel van Wageningen UR. Wetenschapswinkelrapport 263: ‘Naar een beheerplan voor Eilandspolder-Oost; Van top-down invoeren naar bouwen aan sociaal draagvlak?' is te downloaden vanaf http://www.wetenschapswinkel.wur.nl/.

 

 

Noot voor de redactie

Voor meer informatie over het onderzoek kunt u contact opnemen met: Rob van Apeldoorn, Projectleider en Senior onderzoeker en adviseur Natura2000 bij Alterra, onderdeel van Wageningen UR, telefoon: 0317 486407, e-mail: rob.vanapeldoorn@wur.nl

of Wieger Wamelink, Senior onderzoeker en deskundige stikstofdepositie bij Alterra, telefoon 0317 485917, e-mail: wieger.wamelink@wur.nl

 

Klik hier om het wetenschapswinkelrapport nr. 263 rechtstreeks te downloaden.

 

 

______________________________________________________________________

 

 

tuinparkEde

 

Multifunctioneel tuinenpark groene motor voor ontwikkeling Ede

 

Multifunctioneel tuinenpark De Nieuw Koekelt kan een belangrijke motor zijn voor de ontwikkeling van het Peppelensteeggebied tot kloppend groen hart van Ede West. Dit concludeert de Wetenschapswinkel van Wageningen UR in een studie over de herstructurering van volkstuinencomplex De Koekelt. Volgens de studie, in opdracht van VAT-Ede, vergroot het doelbewust ontwerpen en inrichten de waarde van het tuinenpark voor de samenleving.

 

De studie wijst uit dat je voor de realisatie van een multifunctioneel tuinenpark over de huidige grenzen van het volkstuincomplex heen moet kijken. Volkstuinen kunnen van grote waarde zijn voor de samenleving, ze worden geassocieerd met gezond leven en gemeenschapszin. Het inzetten op een multifunctioneel tuinenpark vergroot de kansen voor het creëren van leefgebied voor planten en dieren en het creëren van ecologische verbindingen. Hierbij kunnen bestaande cultuurhistorisch waardevolle groenstructuren worden behouden en versterkt. Het inzetten op een multifunctioneel tuinenpark vergroot de aantrekkelijkheid van het uitloopgebied voor omliggende wijken. Het biedt daarmee een versterking van de educatieve en sociale aspecten voor de omwonenden. Daarnaast biedt de productie van voedsel een sterk kader voor integratie van verschillende culturen in de stedelijke samenleving.

 

De Koekelt is onderdeel van het Peppelensteeggebied aan de westkant van Ede, een versnipperd gebied waar verrommeling op de loer ligt. Dit gebied heeft echter de potentie een groen tegenwicht te vormen voor de oprukkende verstedelijking van Ede West. De gemeente Ede is bereid de Vereniging van Amateurtuinders Ede (VAT-Ede) een langere contractduur aan te bieden. Tegelijk wil de gemeente het oppervlak van de tuinen verkleinen ten gunste van de sportvelden. De VAT-Ede heeft hier bezwaar tegen. Volgens de vereniging biedt De Koekelt door haar ligging ongekende mogelijkheden om een multifunctioneel tuinenpark te realiseren. Het volkstuinenterrein kan door herstructurering veranderen in een groene zone waar ecologie en milieu de ruimte krijgen, waar meerdere vormen van recreatie mogelijk zijn en waar meer aansluiting ontstaat met de omgeving. Om deze mening handen en voeten te geven, heeft de VAT-Ede de Wetenschapswinkel van Wageningen University & Research centre gevraagd dit te onderzoeken. Centrale vraag in het onderzoek was: Hoe kan de vereniging het complex omvormen van volkstuinencomplex naar een multifunctioneel tuinenpark, dat mede een functie vervult voor de omgeving?

 

Studenten van Van Hall Larenstein en onderzoekers van Alterra van Wageningen UR hebben samen met de tuinders hard gewerkt aan het ontwikkelen van een aansprekende visie op de toekomst. Het resultaat is een breed gesteunde en onderbouwde ontwerpvisie van een mogelijke toekomst voor tuinenpark De Koekelt. De ontwerpvisie en het achterliggende rapport zijn een handreiking van de tuinders van VAT-Ede aan de gemeente Ede. Wetenschapswinkelrapport 258: ‘Een Nieuwe Koekelt - Kloppend groen hart van Ede is te downloaden vanaf http://www.wetenschapswinkel.wur.nl/.

 

Einde persbericht

 

Noot voor de redactie

Voor meer informatie over het onderzoek kunt u contact opnemen met: ir. Jeroen Kruit, onderzoeker bij Alterra van Wageningen UR
telefoon 0317 481 682, e-mail jeroen.kruit@wur.nl

 

Klik hier om het wetenschapswinkelrapport nr. 258 rechtstreeks te downloaden.

______________________________________________________________________________________

 

Heemskerkerduin 

 

Tuinders in Heemskerkerduin moeten zich verenigen

http://www.wetenschapswinkel.wur.nl/NL/projecten/Projecten2009/Heemskerkerduin/

 

Hoge grondprijzen en onzekerheden in het beleid voor ruimtelijke ordening veroorzaken onrust onder de tuinders in Heemskerkerduin. Toch zijn de langetermijnperspectieven goed voor deze tuinders met sierteelt, zoals bloembollen, vaste planten en bloemen. Dit concludeert de Wetenschapswinkel van Wageningen UR in een onderzoek in opdracht van de werkgroep ‘Van Duin tot Dorp'. De onderzoekers pleiten voor de oprichting van een ontwikkelingsmaatschappij die de herstructurering in het gebied moet stimuleren.

 

Het provinciaal en gemeentelijk beleid op het gebied van ruimtelijke ordening werkt onttrekking van grond aan de tuinbouw ten gunste van niet-agrarische functies in de hand. Woningcorporaties en projectontwikkelaars kopen tuinbouwgrond boven de agrarische waarde en beperken zo de mogelijkheden voor een rendabele bedrijfsuitbreiding van de tuinders in het gebied. Bovendien bieden het huidige en voorgenomen bestemmingsplan voor Heemskerkerduin en Noorddorp volop mogelijkheden voor niet-agrarische functies in het gebied. Ook die kunnen een verdere ontwikkeling van de tuinbouw in de weg staan.

Deze onduidelijkheid over de toekomst zorgt voor onrust bij de tuinders. Daarom heeft de werkgroep ‘Van Duin tot Dorp' de Wageningse Wetenschapswinkel gevraagd onderzoek te doen naar de toekomst en inrichting van het tuinbouwgebied in Heemskerk.

 

In 2008 telde de gemeente Heemskerk nog 79 bedrijven met tuinbouw onder glas of in de opengrond. In het scenario "Schaalvergroting" is volgens de onderzoekers in 2020 echter nog plaats voor maximaal 49 tuinbouwbedrijven. De belangrijkste knelpunten voor realisatie van dit scenario zijn de voor tuinbouw te hoge grondprijs en de geringe bereidheid van de huidige tuinders om mee te werken aan herstructurering. De onderzoekers opperen een oplossing in de oprichting van een ontwikkelingsmaatschappij met naast tuinders diverse partijen die alle de noodzaak tot herstructurering van het tuinbouwgebied in Heemskerk erkennen.

 

De bevindingen zijn verwerkt in het wetenschapswinkelrapport nr. 259 getiteld ‘Vitaliteit van de tuinbouw in Heemskerk' Dit is gratis te downloaden op:

http://www.wetenschapswinkel.wur.nl/

 

Noot voor de redactie

Op dinsdag 29 september wordt het rapport door de werkgroep ‘Van Duin tot Dorp' uitgereikt aan burgermeester Nawijn van Heemskerk.

 

Voor meer informatie over de achtergrond van het onderzoek kunt u contact opnemen met Marjolein Elings, projectleider Wetenschapswinkel Wageningen UR, telefoon 0317 - 480 549, e-mail marjolein.elings@wur.nl

of de werkgroepleden ‘Van Duin tot Dorp' Ben Welp, telefoon 0251 - 237 016, e-mail benwelp53@hotmail.com of Bertus Berghuis, telefoon 06 - 2242 2184, e-mail bertus.berghuis@planet.nl

 

Voor meer informatie over het onderzoek kunt u contact opnemen met:

Rob Stokkers, onderzoeker Landbouw Economisch Instituut (LEI-Wageningen UR)
telefoon 0317 - 484 629, e-mail robert.stokkers@wur.nl

 

Klik hier om het wetenschapswinkelrapport nr. 259 rechtstreeks te downloaden.

 

__________________________________________________________________________

 

schinnen1                                    schinnen2

 

Nieuw leven voor zandgroeven in Limburg mogelijk

 

Een goed heringerichte groeve levert natuur en landschapswaarde, een stabieler watersysteem, geologische informatie, ruimte voor recreatie en kansen op meer werkgelegenheid. De huidige inrichtingsplannen voor de zandgroeven in de Limburgse plaatsen Spaubeek en Schinnen zijn echter vooral gericht op het voldoen aan de regels en op (economische) kortetermijnbelangen en houden weinig rekening met wensen en kansen van de omgeving. Dit blijkt uit onderzoek door de Wetenschapswinkel van Wageningen UR in opdracht van de Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek.

 

Het blijkt dat een op natuur en op licht recreatief medegebruik gerichte inrichting van oude zandgroeven in Spaubeek en Schinnen het meest aansluit bij de wensen van bewoners en bestuurders. Het onderzoek van de Wageningse Wetenschapswinkel toont aan dat met iets meer fantasie de natuur, recreatie en waternetwerken worden versterkt. Dit gebeurt door de beide zijden van het dal met elkaar te verbinden. Het Groevengebied kan zo als overloopgebied dienen voor het drukke landschapspark De Graven. Dieren kunnen weer van de ene naar de andere kant migreren en het water van het Hoogbeekske kan op een natuurlijke manier afstromen. Daarnaast wordt in het Groevengebied een multifunctioneel, groen netwerk aangelegd. Dit netwerk zorgt voor verbindingen voor dieren (das, hazelmuis), voor een recreatief padenstelsel (fietsen en wandelen) en voor waterretentie (inzijgen water in de bodem, met als gevolg minder modderstromen en een nattere dalnatuur). In dit raamwerk zijn de groeven grotere natuurelementen (stapstenen) in het ecologische netwerk. Het zijn bijzondere stukjes natuur met hun eigen waarden (oeverzwaluwen, oehoe). Voor recreanten bieden de groeven een bijzondere kijk op de geologische gelaagdheid, de geschiedenis van delfstofwinning en mogelijke nieuwe gebruiksvormen zoals wijnbouw. Op deze manier krijgt het gebied tevens een aantrekkelijk woon- en vestigingsklimaat.

 

Omdat steeds duidelijker werd dat er in de groeve in Schinnen waarschijnlijk geen afval zal worden gestort, heeft de Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek twee jaar geleden de Wetenschapswinkel van Wageningen UR gevraagd te helpen bij het ontwikkelen van alternatieve plannen voor de groeven en het omliggende gebied. Daarvoor hebben de onderzoekers een overzicht gemaakt van de regionale behoeften en onderzocht of ze met een aantal ontwerpen aan die behoeften tegemoet kunnen komen.

Het Wetenschapswinkelrapport 260 Groeven en graven; Nieuw leven voor voormalige zandgroeven in Zuid-Limburg is gratis te downloaden op:

http://www.wetenschapswinkel.wur.nl/

 

Diavoorstelling afspelen

 

Noot voor de redactie

Voor meer informatie over het onderzoek kunt u contact opnemen met: Derk Jan Stobbelaar van Hogeschool Van Hall Larenstein, onderdeel van Wageningen UR, telefoon 026 - 3695826

e-mail: Derk-Jan.Stobbelaar@wur.nl

en Hugo Hoofwijk van Adviesbureau De Groene Link, telefoon: 06 - 19934703

e-mail: hugo.hoofwijk@groenelink.nl

Klik hier om het wetenschapswinkelrapport nr. 260 rechtstreeks te downloaden.

__________________________________________________________________________

  

oirschot

 

Persbericht: Wetenschapswinkel Wageningen UR, 9 september 2009

 

http://www.wetenschapswinkel.wur.nl/NL/projecten/Projecten2009/Kloosterpark+Oirschot/

 

Oirschots kloosterpark krijgt oude allure terug

 

Een goed ontwerp voor het kloosterpark Groot Bijsterveld in Oirschot houdt rekening met kwaliteiten uit het verleden en met de behoeften van toekomstige gebruikers. Dat zijn de belangrijkste uitgangspunten voor het herontwerp van het park dat de Wetenschapswinkel van Wageningen UR maakte, in opdracht van de Stichting Behoud Erfgoed Oirschot. Aan het ontwerp ging een grondig cultuurhistorisch onderzoek vooraf. Het herontwerp biedt ruimte voor maximaal 35 nieuwe woningen.

 

Het herontwerp van kloosterpark Groot Bijsterveld brengt oude kwaliteiten terug en is gericht op de gebruikers van de toekomst. Dat zijn de nieuwe bewoners, maar ook de andere Oirschotse burgers die nu niet over een openbaar park beschikken. Het herontwerp heeft een boomgaard en een groentetuin. Het park biedt ruimte voor wandelen, bidden en spelen. Daarvoor worden enkele oude wandelroutes, het uitzicht over de vijver en de oorspronkelijke vorm van de weide hersteld. Student-onderzoeker Luc Joosten van Wageningen UR concludeert dat, als rekening wordt gehouden met de kwaliteiten en de afmetingen van het huis Groot Bijsterveld en het park, het aantal nieuwe wooneenheden beperkt moet worden tot 35.

 

Na 100 jaar in gebruik te zijn geweest als klooster, zijn het huis Bijsterveld en het bijbehorende park (zo goed als) verkocht aan het gemeentelijke Woningbedrijf Oirschot. Door de jaren heen hebben de kloosterlingen het park steeds aangepast en uitgebreid. Voor hen had het park allerlei functies: van bidden en brevieren tot sporten en het verbouwen van groenten. Onder meer door het slinken van de groep bewoners was het onderhoud echter niet meer op te brengen. Hierdoor zijn veel doorkijkjes en bijzondere elementen in de loop der tijd verdwenen. Na aankoop wil het Woningbedrijf Oirschot het complex ombouwen tot een zorgcentrum met een openbaar toegankelijk park. De Stichting Behoud Erfgoed Oirschot staat positief tegenover de functieverandering, maar is het niet eens met de huidige plannen van de gemeente als het gaat om de wijze waarop extra paviljoens in het park worden gebouwd. Daarom heeft de Stichting Behoud Erfgoed Oirschot (SBEO) de Wetenschapswinkel van Wageningen UR gevraagd te zoeken naar een maatschappelijk, cultuurhistorisch en ecologisch duurzame functieverandering voor het park van het Montfortanenklooster in Oirschot.

 

Het cultuurhistorisch onderzoek en het herontwerp zijn apart beschreven. De wetenschapswinkelrapporten 250: Cultuurhistorische analyse en waardering Groot Bijsterveld en 251: Herontwerp Groot Bijsterveld te Oirschot zijn te downloaden vanaf http://www.wetenschapswinkel.wur.nl/.

Beide rapporten zijn op 4 september overhandigd en goed ontvangen door de SBEO, burgemeester R. Severijns en wethouder J. Kerkhof van Gemeente Oirschot en aan Overste W. Logister van de Montfortanen.

 

_______________________________________________________________________________________

 

Actueel overzicht van de relatie tussen stad en platteland

 

markt

 

Onder de titel "Wie zorgt voor wie?"publiceert de Wetenschapswinkel van Wageningen Universiteit en Researchcentrum een overzicht van de recente ontwikkelingen op het gebied van (biologische) landbouw, verbreding van de landbouw, multifunctionele (stads)landbouw en stedelijke voedselstrategieën. Onderzoekster Christel Engelen van de leerstoelgroep Biologische Landbouwsystemen van Wageningen Universiteit heeft alle belangrijke nationale en internationale ontwikkelingen op een rijtje gezet. Het rapport geeft daarmee snel een actueel overzicht voor iedereen die zich hierin wil verdiepen.

 

De landbouw en het platteland zijn sterk in ontwikkeling. Naast schaalvergroting en afname van het aantal arbeidskrachten in de landbouw zien we verbreding van boerenbedrijven, bijvoorbeeld in de vorm van zorglandbouw, educatie en recreatie. Het platteland wordt multifunctioneel. Naast voedselproductie krijgt het platteland steeds meer functies. Deze veranderde functie van het platteland wordt gevoed vanuit behoeftes van de stad: geen strikte scheiding meer tussen stad en platteland, maar stadsbewoners die recreëren, inkopen doen en zorg ontvangen op het platteland. En de landbouw komt de stad binnen: via stadsboerderijen en door directe afzet van (biologische) producten op de markt en in restaurants.

 

De titel "Wie zorgt voor wie?" benadrukt dat een sterke onderlinge relatie tussen stad en platteland de basis is voor een duurzame samenleving. De stad heeft het platteland nodig en de stad het platteland! Immers de stad heeft consumenten, patiënten, cliënten en recreanten, allen met zo hun eigen behoeften. En het platteland kan in veel van deze behoeften voorzien. We zien dit als een positieve afhankelijkheid. Een duurzame samenleving bestaat uit zowel een leefbaar en beleefbaar platteland als een leefbare en beleefbare stad.

 

Het Wetenschapswinkelrapport 253 ‘Wie zorgt voor wie? Op weg naar een duurzame relatie tussen stad en platteland' is gratis te downloaden op:

www.wetenschapswinkel.wur.nl/NL/nieuwsagenda/nieuws/wie_zorgt_voor_wie.htm

 

Einde bericht

Noot voor de redactie:

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Irene Gosselink (projectleider bij de Wetenschapswinkel van de Wageningen UR),

telefoon: 0317 - 480 450

e-mail: Irene.gosselink@wur.nl

 

_______________________________________________________________________________________

Innovatieve methoden van hoefverzorging bij paarden

Het effect van de straal op de impactversnellingen tijdens het landen en de afwikkeling van de paardenhoef.

In Nederland wordt maar weinig onderzoek gedaan aan hoeven van paarden. Dat is vreemd, want behoorlijk veel paarden in Nederland hebben gezondheidsproblemen die door hoef- en beenproblemen worden veroorzaakt. Niet voor niets zeggen de Engelsen: "No hoof, no horse."
De straal is belangrijk in de hoef, daar is iedereen het wel over eens. De straal is de voornaamste schokbreker in de hoef. Daarnaast geeft het de onderzijde van de hoef meer profiel om uitglijden tegen te gaan en is de motor van het hoefmechanisme dat de doorbloeding in de hoef bevordert. Maar wat is het effect van de verschillende manieren van beslaan en bekappen op de wijze van bewegen van het paard? Dat is de vraag waarmee de Werkgroep Natural Balance Hoefsmeden Nederland de Wetenschapswinkel van Wageningen UR benaderde. 

paard

 

Om een eerste antwoord op deze vraag te krijgen, hebben de leerstoelgroep Experimentele Zoölogie van Wageningen UR en het Fieldlab van Helicon Nederlandse Hippische Beroepsopleidingen Deurne onderzoek uitgevoerd naar de invloed van de aanwezigheid van een al dan niet prominente straal in de hoef op het bewegingspatroon van het paard. Tien Nederlandse warmbloedpaarden hebben verschillende malen op de lopende band gelopen, zowel in stap als in draf. Bij de eerste meting maakte de straal amper contact met de ondergrond, bij de tweede meting juist een goed contact. De negatieve versnelling van de hoef kon worden gemeten op het moment dat die de grond raakte, omdat bij elk van de paarden één van de hoeven was voorzien van een versnellingsopnemer.

Het resultaat van de metingen gaf geen meetbare verschillen aan in de beweging van de paarden met en zonder prominent straalcontact. Overigens mag hieruit niet geconcludeerd worden dat een gezonde straal niet belangrijk zou zijn voor het paard. Dat er geen meetbare verschillen zijn waargenomen, kan ook met de proefopzet te maken hebben. De paarden liepen op een rubberen loopband in een tredmolen en dat is een compleet andere ondergrond dan een wegdek of een weide.

 

hoefijzers 


Ondanks het feit dat er geen meetbare verschillen zijn aangetoond, is het resultaat van het onderzoek zonder meer positief te noemen. Een aantal instituten in het paardenonderzoek is bij elkaar gebracht. De samenwerking tussen traditionele en Natural Balance hoefsmeden heeft geleerd dat, ondanks verschil in uitgangspunten en aanpak, beide richtingen dezelfde hoef voor het paard als eindresultaat willen.

 

Het onderzoeksrapport is te downloaden van:

www.wetenschapswinkel.wur.nl/NL/projecten/Projecten2009/hoefverzorging+paarden

 

Opdrachtgever:
Werkgroep Natural Balance Hoefsmeden Nederland

 


Uitvoering:
Leerstoelgroep Experimentele Zoölogie - prof.dr.ir. Johan van Leeuwen en ir. Monique Haazelager
Nederlandse Hippische Beroepsopleidingen Deurne - dr. Mark Timmerman en Chris Oomen

 

_____________________________________________________________________________________

 

mest

 

Mestvergisting draagt lokaal bij aan verduurzaming intensieve veehouderij

 

Coöperatieve mestvergisting draagt lokaal bij aan de duurzaamheid van de intensieve veehouderij: de emissie- en energiebalansen zijn positief. Het gezamenlijk vergisten kent echter ook nadelen: de effecten op recreatie, landschappelijk inpassing en de concentratie van emissies in een gebied. Dit concludeert de Wetenschapswinkel van Wageningen Universiteit en Researchcentrum in een onderzoek naar de duurzaamheidaspecten van co-vergistingsinstallaties in opdracht van de Stichting Natuur en Milieu Aalten. De stichting wil met de resultaten van het onderzoek argumenten krijgen voor een maatschappelijke discussie. Aanleiding zijn de plannen van een aantal Achterhoekse ondernemers voor de bouw van een co-vergistingsinstallatie.

 

De algemene conclusie is dat de duidelijkheid waarnaar de Stichting Natuur en Milieu Aalten zoekt, niet gegeven kan worden. De verschillende voor- en nadelen van co-vergisting blijven bestaan, omdat ze onvergelijkbaar zijn. Het realiseren van een co-vergistingsinstallatie kan op de lokale situatie een positief duurzaam effect scoren zoals meer werkgelegenheid, opwekken van groene energie, vermindering van de uitstoot en reductie van mestoverschot. In een wijdere context draagt mestvergisting bij aan het in stand houden van de intensieve veehouderij in Nederland. De intensieve veehouderij heeft altijd minerale import van elders nodig, wat niet duurzaam is.

 

Een aantal agrarische ondernemers in Aalten en omgeving overweegt de aanschaf van coöperatieve mestvergisters. De Stichting Natuur en Milieu Aalten heeft echter nog onvoldoende zicht op de milieubalans van mestvergisting. Hoe duurzaam is de technologie nu echt? Door het onderzoek van de Wetenschapswinkel hoopt de stichting tot een goed onderbouwd advies te komen. Daarnaast hoopt de stichting de maatschappelijke discussie over deze technologie te voeden: Wat zijn de lokale en internationale effecten van mestvergisting op mens, natuur, biodiversiteit, milieu en op het landschap? De onderzoekers van Wageningen Universiteit hebben een analyse gemaakt van de duurzaamheidaspecten die een rol spelen bij het plaatsen van co-vergistingsinstallaties in Nederland. Daarbij keken ze naar aspecten op nationaal en internationaal niveau met als voorbeeld het plaatsen van een co-vergistingsinstallatie in de Achterhoek.

 

Klik hier om het wetenschapswinkelrapport nr. 257 ‘Duurzame mestvergisting Aalten' te downloaden.

Mestvergisting in de Achterhoek

Noot voor de redactie

Voor meer informatie over het onderzoek kunt u contact opnemen met Dr. Josette Jacobs, universitair docent bij Centrum voor Methodische Ethiek & Technology Assessment (META), Departement Maatschappijwetenschappen Wageningen Universiteit, telefoon 0317 - 484 544, e-mail josette.jacobs@wur.nl

 

Voor meer informatie over de achtergrond van het onderzoek kan contact opnemen met Tonny Stoltenborg van Stichting Natuur en Milieu Aalten, telefoon 0543 - 477 629 (06 - 1087 0085), e-mail tonnystoltenborg@zonnet.nl

 

____________________________________________________________________________________

 

Milieu-effecten aanleg bedrijventerrein Moerdijk


De Stichting Behoud Buitengebied Moerdijk (SBBM) probeert te voorkomen dat rijk, provincie en de gemeente Moerdijk een nieuw logistiek bedrijventerrein van 150 ha ontwikkelen in het buitengebied van Moerdijk. Omdat de SBBM twijfels had bij de argumentatie van de overheden, heeft zij de Wetenschapswinkel van Wageningen UR gevraagd onderzoek te doen naar de milieueffecten en de gevolgen voor de leefbaarheid van de aanleg van dit bedrijventerrein.

 

moerdijk

 

De aanleg van het bedrijventerrein levert financiële middelen op waarmee de gemeente een aantal knelpunten kan oplossen. Bedrijven die in de kleine kernen hinder opleveren en gezondheidsrisico's met zich meebrengen kunnen naar elders worden verplaatst. De gemeente claimt dat er sprake is van milieuwinst en van verbetering van de leefbaarheid. Alterra heeft onderzocht in hoeverre het totaal aan projecten winst oplevert voor milieu en leefbaarheid.

Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake is van milieuwinst, maar van verplaatsing van effecten op het milieu. Verder blijkt dat de leefbaarheid in de kernen inderdaad vooruit gaat. In de omgeving van het logistieke park en langs de toegangs- en snelwegen verslechtert de leefbaarheid, mede door nieuw aangetrokken bedrijvigheid, maar hiervan ondervinden minder woningen overlast dan in de oude situatie
 
Het onderzoek is gebaseerd op gegevens uit bestaande rapporten. Er zijn geen metingen uitgevoerd. In maart 2009 hebben de onderzoekers de resultaten van het onderzoek gepresenteerd aan de SBBM, belangstellenden, de gemeenteraad en B&W van de gemeente Moerdijk. De suggesties en opmerkingen die in deze bijeenkomst werden gemaakt, zijn verwerkt in het eindrapport dat in mei 2009 aan de SBBM is overhandigd.

 

Het rapport 252 'Moerdijk Milieuwinst Mogelijk?' is te downloaden van:

www.wetenschapswinkel.wur.nl/NL/projecten/Projecten2009/Moerdijk

 

haven